Joden in Leiden rond 1800

Winterlezing van 18 maart 2007 door Arti Ponsen

Uit de schaduw van de kruitramp

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Titel

Titel

‘Uit de schaduw van de kruitramp’ – inderdaad zijn de Joodse slachtoffers van de ramp altijd onderbelicht geweest. In 1807 vormden de Leidse joden een geïsoleerde minderheid – minder dan 1% van de bevolking – die erg op zichzelf was aangewezen. Zelf hebben zij geen ooggetuigenverslagen nagelaten. De journalisten en anderen die over de ramp hebben geschreven, waren christenen: zij kenden hun joodse stadgenoten niet. Zij schreven het slachtofferlijstje over dat door de joodse gemeente zelf was opgesteld en meer wisten ze niet te vertellen.

Synagoge

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Synagoge-8

Over de geschiedenis van de Leidse joden vóór 1807 is ook al weinig bekend, omdat bij de kruitramp de synagoge werd verwoest en de archieven van de joodse gemeente verloren gingen. Voor de vroegste periode moeten we het dus hebben van de stadsarchieven van Leiden. Pas als je daarin gaat zoeken, blijkt hoe geïsoleerd de joden waren: ze komen er nauwelijks in voor.

Wandelende jood

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Wandelen

Isolatie en discriminatie van joden stamt al uit de Middeleeuwen. Toen was dat allemaal diep geworteld in de leer van de katholieke kerk. De reformatie zette de oude dogmas overboord, maar de 80-jarige oorlog bevrijdde onze voorouders niet van hun vooroordelen.

Stad van vluchtelingen

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Stad

Zelfs in Leiden, met z’n unieke historie van immigratie en tolerantie, werden joden als tweederangs burgers behandeld. Er was voor hen geen plaats in de stedelijke economie. Wie in Leiden producten op de markt wilde brengen, moest ten eerste het burgerrecht van de stad – het poorterschap – bezitten en ten tweede moest hij lid zijn van een gilde. Per beroepsgroep vormden die gilden een soort kartel: zij bepaalden wie er in de stad laken mocht weven, graan verhandelen, manden vlechten of uitvaarten regelen: voor de meeste beroepen bestond er zo’n vakorganisatie, die meteen de kwaliteit van de producten controleerde, de beroepsopleiding verzorgde en de prijzen vaststelde. De stedelijke overheid vond dat een prachtig systeem en handhaafde het door middel van aanvullende wetgeving. Of desnoods met behulp van de sterke arm! Die gilden dateerden uit de katholieke middeleeuwen. Joden waren per definitie van het lidmaatschap uitgesloten.

Lompenhandelaar

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Lompenhandelaar

Zij vielen daarom noodgedwongen terug op de ‘vrije beroepen’ waar geen gilde voor bestond, zoals de handel in lompen, oud ijzer en andere tweedehandsgoederen. Slechts enkele families wisten zich een enomomisch solide positie te verwerven, bijvoorbeeld in de diamanthandel. Dat waren vaak Sefardische joden, die in hun land van herkomst – Spanje – al tot de ontwikkelde bovenlaag hadden behoord. Onder de Askenazische joden was de armoede schrikbarend: zij waren veelal afkomstig uit Duitsland of Polen, waar hun voorouders al sinds de kruistochten overgeleverd waren geweest aan vervolgingen.

Joodse zwerver

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Zwerver

Een enkeling nam zijn toevlucht tot malafide praktijken: hij meldde zich bij het stadsbestuur met de aankondiging dat hij zich wilde bekeren tot het Christendom. Hij kreeg dan een dominee toegewezen om hem naar de doop te begeleiden. Maar veel belangrijker: hij kreeg werk, of een uitkering. Er zullen zeker mensen bij zijn geweest die te goeder trouw waren, maar tussen 1658 en 1722 zijn er in Leiden minstens zes gevallen geweest van nep-bekeringen. De betrokkenen kwamen nooit in de kerk of ze gingen minstens net zo vaak naar de synagoge. Als dat begon op te vallen, vertrokken ze met de noorderzon. De dominees hadden het nakijken – en de schuldeisers ook.

Vismarkt 1763

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Vismarkt

In de literatuur staat vaak het jaar 1714 vermeld als het moment dat de allereerste joodse inwoner zich in Leiden vestigde. Dat is niet helemaal correct. We hebben net al gezien dat er vanaf 1658 joden in Leiden hebben verbleven. En al daarvoor doceerde er nota bene een rabbi aan de Leidse Universiteit. Rond 1700 nam de joodse aanwezigheid vastere vormen aan. Salomon Jacob, een koopman in laken en tabak, afkomstig uit Swiers in Polen, woonde toen aan de Vismarkt. Hij vroeg toestemming aan het stadsbestuur om in zijn eigen huis godsdienstoefeningen te mogen houden. Want hij moest iedere sabbath met zijn hele gezin heen en weer naar Amsterdam en dat vond hij toch wat bezwaarlijk worden. Bovendien – zo argumenteert hij – was de Joodse gemeente in Leiden sterk gegroeid. Dat moet ook wel, want om een dienst te kunnen houden moeten er minstens tien volwassen joodse mannen aanwezig zijn. En nee, dat waren niet allemaal zoons van Salomon zelf, want die was op dat moment pas rond de 30 jaar oud. Dus moeten er meerdere joodse gezinnen in Leiden gevestigd zijn geweest, al ruim vóór die magische datum van 1714.

Verzoendag

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Verzoendag

De verklaring daarvoor ligt in het verschil tussen ‘inwoner’ en ‘burger’: 1714 is het jaar waarin de eerste joodse inwoner het felbegeerde poorterschap van de stad wist te verwerven. Zijn naam was Philip Arons. Ook hij was koopman en hij kwam uit Amsterdam. Hij was waarschijnlijk een ‘tweede generatie’-jood, als ik het even zo mag uitdrukken. Het kostte hem veel geld om zich in te kopen als burger, maar dat was het hem ruim waard om van de pesterijen van het gilde af te zijn, alleen, zo werkte dat niet. Arons mocht als volwaardig burger belasting betalen, maar het gilde bleef hem weigeren, puur op grond van zijn geloofsovertuiging.

Lipsius-gebouw aan de Witte Singel

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Wittesingel

Vijf jaar later was de kleine Joodse gemeenschap zó gegroeid en waren zoveel gezinshoofden officieel burger van de stad geworden, dat de gemeente een stuk grond aanwees waar zij een eigen begraafplaatsje mochten inrichten. Dat was op het Blauwe Bolwerk aan de Witte Singel, waar nu het Lipsius Gebouw van de Faculteit Letteren staat.

Weer vier jaar later was de huiskamersynagoge te klein geworden. Aron van Praag – de tweede officiele Joodse burger van Leiden – kocht toen een huis aan het Oude Levendaal dat werd ingericht om er de diensten te houden. Dat was in 1723. Acht jaar later was er genoeg geld gespaard om het pand te verbouwen en het ook aan de buitenkant wat allure te geven. Dat was overigens nog niet het vierkante ‘kerkachtige’ gebouwtje dat we tegenwoordig kennen; dat dateert van 1762.

Zilversmid

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Zilversmid

Mede door die synagoge werd de joodse aanwezigheid in Leiden steeds meer zichtbaar. Dat was veel autochtone Leidenaars een doorn in het oog. De eersten die klaagden, waren de goud- en zilversmeden. Zij voelden zich blijkbaar bedreigd door de opkomst van de joodse handel in oud goud en zilver, want van de productie en verkoop van nieuw edelsmeedwerk waren de joden nog altijd door het gilde uitgesloten. Dat ging nu ook gelden voor de tweedehandsmarkt. In 1733 bepaalde het stadsbestuur dat het aan joden – burgers of geen burgers – voortaan helemaal niet meer was toegestaan om in goud en zilver te handelen.

Daarmee was de helft van de toenmalige joodse gezinnen van Leiden in één klap brodeloos. Dat waren toen 40 mensen van de intotaal 87.

Stadspoort, montage

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Stadspoort

In datzelfde jaar, 1733, stelde het stadsbestuur ook strengere voorwaarden aan de vestiging van joden in de Sleutelstad. Voortaan moesten nieuwkomers een verklaring van goed gedrag overleggen. In praktijk kwam dat erop neer dat rondtrekkende handelaren geen kans hadden om zich in Leiden te vestigen. Rijke kooplieden uit Amsterdam konden uiteraard wel met het vereiste briefje wapperen en zo werd er handig een schifting aangebracht: rijke joden bleven welkom maar de arme sjacheraars kwamen er niet meer in.

In 1737 besloot ook Leiden om helemaal geen joden meer toe te laten. Dit viel samen met een algemene maatregel om arme immigranten te weren. Het beroep dat zij deden op de stedelijke voorzieningen en op de kerkelijke liefdadigheid vond men te groot worden.

Kortom: Leiden was ‘Vol’.

Joodse slager

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Slager

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Koeien

Er werd nog wel enig begrip getoond voor reeds gevestigde joodse inwoners: er werd een uitzondering gemaakt voor de slager. Als er binnen de gelederen van de joodse gemeente geen ritueel slachter te vinden was, dan mocht er iemand van buiten worden aangetrokken. De slager mocht zelfs zijn gezin meebrengen. Maar zodra hij zijn ambt neerlegde, moest hij onmiddellijk weer vertrekken.

Synagoge Timmermans

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Synagoge-9

Controle op een bevolkingsgroep vereist registratie en dus werden de Leidse joden gedwongen een kerkgenootschap te vormen naar protestants model. De ‘diakenen’ van de ‘Jodenkerk’ moesten een register bijhouden van de huwelijken, geboorten en overlijdens binnen hun ‘gemeente’ en daarvan inzage geven aan het stadsbestuur. Problemen binnen de joodse gelederen dienden voorgelegd te worden aan het College van B&W en in noodgevallen aan de stedelijke politiefunctionaris, de Schout. Er waren overigens mensen binnen het stadsbestuur die deze overheidsbemoeienis te ver vonden gaan: in de kantlijn van het reglement heeft iemand aangetekend dat het “wat sterk uijt de pen was gevallen.”

Op dat moment, in 1737, had de joodse bevolking van Leiden een omvang van 125 personen. Dat waren allemaal Askenazische of Hoogduitse joden; Sefardische joden hebben zich in Leiden nooit gevestigd.

Statistiek bevolking

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Statistiek

Dit statistiekje laat zien dat het inderdaad klopt dat het aantal joodse inwoners in die tijd snel groeide. De zwarte lijn stelt het totale aantal inwoners van Leiden voor. De rode lijn is het percentage joodse inwoners. Voor de vroegste periode zijn de gegevens schaars, maar er is toch een zekere tendens te zien. Zo blijkt dat de maatregelen tegen de joodse immigratie niet hebben geholpen: ook na 1737 stijgt de rode lijn vrolijk door!

Parnas in de gracht gegooid

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Parnas

Maar de bevolkingsaanwas stagneerde rond 1760. In die tijd hadden de joden veel last van discriminatie en pesterijen. Dat was altijd al zo geweest en niet alleen in Leiden: dit plaatje laat zien hoe in Amsterdam een ‘parnas’ in de gracht werd gegooid. Parnas of parnassijn is een functie in de synagoge. Hier wordt het slachtoffer – met zijn natte jas in de hand – op de kant geholpen. De saterfiguur op de achtergrond maakt deel uit van een carnavalsoptocht. Er was dus drank in het spel – kijk maar naar het lege jeneverkruikje onder de voeten van de parnas – maar het laat wel zien hoe joden puur op hun uiterlijk werden gediscrimineerd.

In Leiden was er rond 1760 weer zo’n uitbraak van antisemitisme. Op het begraafplaatsje aan de Witte Singel werd geregeldgrafschennis gepleegd. De joodse gemeente pachtte toen een stuk grond in Katwijk aan den Rijn om er hun doden te begraven.

Grafiek

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Grafiek

Als we nog even teruggaan naar de grafiek, dan is daar te zien dat ook de levenden een goed heenkomen zochten: de groei van het percentage joden in Leiden komt abrupt tot stilstand.

Maar aan het eind van de 18e eeuw begint het joodse inwonertal weer opvallend te stijgen. Rond 1775 telde Leiden 149 joden – in 1809 waren het er 233, een toename van bijna 60 procent! Maar dat was nog altijd minder dan 1 procent van de totale Leidse bevolking.

Die tweede stijging is direct te relateren aan een mijlpaal in de Nederlandse geschiedenis die – zoals zoveel belangrijke momenten – niet in de canon is opgenomen. Het is de zogenaamde ‘Gelijkstaat der Joden’ van 1796.

Gelijkstaat

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Gelijkstaat

Die hele periode, die tegenwoordig ‘De tijd van Pruiken en Revoluties’ heet, was al schimmig in de tijd dat ik op de middelbare school zat. Ik ga u er niet mee vermoeien, want dan zitten we hier vanavond nog. Het komt erop neer dat in 1795 de oude, Oranje-gezinde regenten werden vervangen door republikeinse Patriotten die de ideeën van de Franse Revolutie aanhingen. Zij begonnen meteen te experimenteren met nieuwe wetgeving, gebaseerd op het principe van de scheiding van kerk en staat en gelijkheid van iedereen voor de wet. Nou ja, iedereen. Vrouwen waren nog steeds onmondig en dat gold ook voor wie geen eigen vermogen bezat. Alleen al daardoor zouden de meeste joden geen kiesrecht hebben gehad, maar zij werden ook nog eens achtergesteld op grond van hun geloofsovertuiging. Op deze prent is de figuur die het Jodendom moet voorstellen, aan de rechterhand van de Vrijheid geplaatst (links op het plaatje), maar dat is wel erg optimistisch gedacht. Wederom dreigde men stilzwijgend de oude middeleeuwse vooroordelen over te nemen.

Rechten van de mens in het Hebreeuws

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Rechten

Maar een groepje hooggeschoolde Amsterdamse joden richtte een eigen Patriottenclub op onder de naam Felix Libertate (dat betekent Door Vrijheid Gelukkig). Dit plaatje toont hun vertaling van de ‘Rechten van de Mens en Burger’ in het Hebreeuws. Zij wisten zoveel druk uit te oefenen op de regering, dat die tenslotte tot de uitspraak kwam, dat “Geen Jood zal worden uitgeslooten van eenige rechten of voordeelen, die aan het Bataafsch Burgerregt verknogt zijn”. Daarmee was de Gelijkstaat der Joden een feit, ook al was het merendeel van de joodse inwoners van de Bataafsche Republiek nog altijd te arm om over het volle burgerrecht te beschikken. Maar de toepassing van de juridische rechtsgelijkheid liet in de dagelijkse praktijk nogal eens te wensen over.

Levi, montage 1

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Levi-1

Zo ook hier in Leiden. Abraham Levi, een joods koopman die illegaal in oud ijzer handelde, lokte in 1807 een soort ‘proefproces’ uit tegen het Smidsgilde, dat hem nog altijd een vergunning weigerde. Officieel bestonden de gilden niet eens meer: ze waren in 1795 afgeschaft. Maar bij gebrek aan alternatief functioneerden ze gewoon door. Levi probeerde eerst om een vergunning te kopen. Het gildebestuur reageerde door hem te sommeren zijn uithangbord weg te halen. Pas na lang heen en weer gesteggel kwam het hoge woord eruit: Levi en de zijnen kregen geen vergunning “om dat U Jooden zijt”. Daarop ging de ijzerhandelaar in beroep bij het stadsbestuur, maar dat bevestigde het besluit van het gilde.

Levi, montage 2

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Levi-2

Vervolgens richtte Levi zich tot koning Lodewijk Napoleon, die de brief ter hand stelde aan zijn Minister van Binnenlandse Zaken, die op zijn beurt weer advies vroeg bij het Leidse stadsbestuur, dat te rade ging bij de hoofdlieden van het gilde. Een deel van die correspondentie wordt bewaard in het Regionaal Archief Leiden en het is uiterst tendentieuze lectuur.

Zo meent het stadsbestuur te moeten opmerken dat Levi geen trouw lid is van ‘de Hebreeuwse kerk’ en dat hij waarschijnlijk handelt in gestolen goederen, afkomstig van de openbare weg, zoals ‘kooperen lantaarnkappen’ en “ijzere bouten, hekken en diergelijke aan de publieke trouw vertrouwde goederen”. Die spullen worden – nog steeds volgens het college van B&W – verkocht naar Amsterdam door helers “onder welke kooplieden niet zelden Joden gevonden worden”. Zelfs als Abraham Levi zich daar nu niet aan schuldig maakt, dan zou hij in de verleiding gebracht kunnen worden zodra hij een vergunning heeft. Het is beter om “de aanleiding tot verkeerdheden te vermijden dan dezelve gepleegd zijnde te moeten doen straffen”. Met andere woorden: het weren van joden uit de oud-ijzerhandel is een preventieve maatregel.

Levi, montage 3

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Levi-3

Verder vinden de heren wethouderen dat de toon van Levi’s request niet door de beugel kan en beroepen zij zich uitgebreid op oude gildekeuren van 1755, die eerst al waren achterhaald door hun eigen, stedelijke keur van 1769 en daarna door de nieuwe Bataafse Grondwet. Als uitsmijter wordt het voortaan aan een ieder, ‘hetzij Jood, hetzij Christen’ verboden om vergunningen van de gilden te kopen. Dat is dus wetgeving op een instituut – het gilde – dat wettelijk is opgeheven. Ach, het maakt tenminste een eind aan de discriminatie, want deze maatregel is voor iedereen even mal.

Abraham Levi maakte waarschijnlijk deel uit van een radicale minderheid binnen de joodse gemeenschap van Leiden, die de idealen van de Verlichting aanhing, een strikte scheiding van Kerk en Staat wilde doorvoeren en zo ver mogelijk wilde integreren. Dit waren dus medestanders van de beroemde Jonas Daniël Meijer en de beweging die de gelijkberechtiging had bevochten, de Tora in het Nederlands wilde vertalen en het gebruik van het Hebreeuws als liturgische taal wilde afschaffen.

Van Praag & Levisson, montage

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Praag

Het zal geen verbazing wekken dat de voormannen van deze beweging niet tot de allerarmsten behoorden. In Leiden waren het twee mannen die in ieder geval hun voornaam mee hadden: Salomon Levie Levisson en Salomon Aron van Praag, winkeliers op de Hogewoerd. Zij hadden geen geduld met de orthodoxie van hun armere en dus ook lager geschoolde geloofsgenoten. Van Praag en Levisson ergerden zich vooral aan de strakke reglementen op het dagelijks functioneren van de leden van de joodse gemeente. Bij het minste verzuim of kleinste vergrijp werden boetes geheven: een absolute noodzaak om de eigen, specifiek joodse armen- en ziekenzorg in stand te kunnen houden, maar de vrijdenkende Salomons hadden er behoorlijk last van! In het dagelijks leven onderscheidden zij zich nauwelijks van de niet-joodse medelanders van hun klasse. Zij kleedden zich naar de nieuwste mode, frequenteerden ’s ochtends de koffijhuizen om er over politiek te debatteren en ’s avonds gingen zij naar gelegenheden zoals deze om. Nou ja, dat ziet u zelf wel.

Anthony, montage

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Anthony

De bom barstte, toen op 3 januari 1806 ene David Anthony in het Caeciliagasthuis werd opgenomen “uit hoofde van deszelfs krankzinnigheid”. Het stadsbestuur stuurde de rekening aan de diakenen van de joodse gemeente. In de eerstvolgende vergadering weigerden “eenige onrustige geesten”, onder aanvoering van Van Praag en Levisson, deze uitgave goed te keuren. Volgens hen betekende de scheiding van kerk en staat dat er een einde moest komen aan de ziekenzorg op religieuze grondslag. Zij beschuldigden de diakenen zelfs van wanbeheer. Daarbij viel “een menigte laesive expressien” en het mondde uit in een motie om de armenkas op te heffen en van het geld een gezellige maaltijd te organiseren! De geschokte diakenen vielen terug op de oude reglementen over het joods zelfbestuur uit 1737: zij legden de kwestie voor aan het stadsbestuur. Uit de archieven valt niet op te maken hoe de kwestie afliep, maar het lijkt erop dat de nieuwlichters en “Wargeesten” toch het onderspit hebben gedolven.

Kruitramp

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Kruitramp

Dan zijn we nu aangeland in de tijd van de kruitramp. Het verhaal over de ware toedracht van de explosie laat ik even voor wat het is. U kent het langzamerhand: op 12 januari 1807 ’s middags om kwart over vier onplofte in het Steenschuur het vrachtschip ‘Delfs Welvaaren’ dat geladen was met ruim 18 ton buskruit. De huizen aan weerszijden van de gracht werden totaal weggevaagd. In een veel groter gebied daaromheen was de verwoesting enorm. In de hele stad waren ruiten gebroken en dakpannen weggeblazen. Er vielen ongeveer 160 doden en 2000 gewonden.

De joodse gemeenschap had 19 slachtoffers te betreuren. Toch woonden er weinig joden in de kern van het rampgebied.

Overzichtskaartje animatie Er was in Leiden geen echte jodenbuurt, zoals in Amsterdam, maar er was wel een bepaalde hoek van de stad waar veel joden woonden:

Het Levendaal, Hogewoerd, Utrechtse Veer en de wirwar van steegjes en slopjes daartussenin. In de buurt van de Synagoge, dus, maar dan niet aan de sjieke Steenschuur-kant. Tegenwoordig is dat nauwelijks meer voor te stellen: het hele gebied is onherkenbaar veranderd.

Doorbraken, montage

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Doorbraken

Hier ziet u deze zelfde wijk op de oude Hagenkaart van 1675. Toen was de synagoge er nog niet: pas 50 jaar later kreeg de Joodse gemeente de beschikking over het huis dat hier rood omcirkeld is. Dit is alleen maar om te laten zien hoeveel van de oorspronkelijke bebouwing verdwenen is.

In het roze gebied links zijn de huizen weggeslagen bij de kruitramp. De lichtgroene grachten zijn gedempt. De lichtblauwe gebieden zijn in de vorige eeuw doorgebroken voor het verkeer. Maar ook de bouwblokken die gespaard bleven, zijn in de loop der tijden grotendeels vervangen door modernere bebouwing.

In combinatie met het gebrek aan bronnen maakt dat het uiterst lastig om een goed beeld te geven van waar de joodse burgers van Leiden woonden rond 1800. Ik beperk me daarom tot een paar voorbeelden, die een indruk geven van hun woonomstandigheden.

Synagoge

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Synagoge-1

Dit is het geestelijk centrum, de Synagoge op de hoek van het Kort Levendaal en de Korevaarstraat. Op de steen boven de deur staat in het Hebreeuws: “de heerlijkheid van dit laatste huis zal groter worden dan die van het eerste, zegt de Eeuwige der Heerscharen” (Haggai II vers 9). In essentie is dit nog het gebouw uit 1762. Bij de kruitramp werd het zwaar beschadigd. In de literatuur staat soms dat het is afgebrand, maar daarvoor heb ik geen bewijzen kunnen vinden. Wel werd het dak eraf geblazen, de ramen en de deur ingeslagen en de muren ontzet. Regen, sneeuw en storm hadden vrij spel en zo gingen de archieven van de joodse gemeente verloren. De kosten van het herstel beliepen 2800 gulden. Daarvoor werd niet alleen de ‘Joodsche Kerk’ gerepareerd, maar ook de kosterswoning, het badhuis, de armbakkerij en de belendende woningen. Vijftig jaar later bleek er toch veel structurele schade over het hoofd te zijn gezien en was nogmaals een ingrijpende verbouwing noodzakelijk.

Levendaal 1918

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Levendaal_1918

Hier ter oriëntatie een tekening van het Levendaal in 1918. Rechts naast de Synagoge loopt dan nog de Jodenkerksteeg. Daarnaast de Barbarasteeg: alles ertussenin werd later doorgebroken voor de Korevaarstraat.

Ik wil nu even met u kijken naar het rijtje huizen links van de synagoge: wie woonden daar ten tijde van de kruitramp?

Synagoge, rijtje 1

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Synagoge-2

In de Synagoge of in een woongedeelte erachter, woonde koster Nathan Antonie met vrouw en 3 kinderen.Het pand naast de synagoge ziet er nu uit alsof het één geheel is, maar vóór de ramp waren dit 4 losse huizen, bewoond (van rechts naar links) door:

  • Izaak Anthonie
  • Jacob Hakwijm met vrouw en 1 volwassen kind
  • Samuel Kalleman
  • en tenslotte een niet-joodse bewoner, Erades

Synagoge, rijtje 2

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Synagoge-3

Dan kwam er een poort, een doorgang naar de achterkant van de huizen. Het meisje op de foto staat in de ingang ervan. In 1807 kwam dat gangetje uit bij een stalhouderij, een 19e eeuwse ‘garage’, zeg maar. Er stonden achter de synagoge dus koetsen en paarden, er lag hooi opgeslagen en het stonk er naar mest. En naar menselijke urine, want de Jodenkerksteeg werd vanouds als openbaar toilet gebruikt, vandaar dat-ie ook de ‘Stincksteeg’ werd genoemd.

Synagoge, rijtje 3

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Synagoge-4

Het volgende pand was het woonhuis-kantoor van de eigenaar van die stalhouderij, Johannes Waalboer. De grote koetsdeuren zijn nog overgebleven van zijn bedrijf.

Synagoge, rijtje 4

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Synagoge-5

Daarnaast woonde weer een joodse familie: Nathan Markint Kuyt, vrouw, en 5 kinderen. Inwonend was een juffrouw die, aan haar naam te zien, niet van Joodse huize was: Lijsje de Nee. Het piepkleine huisje links werd bewoond door David Machielse, die weer wel Joods was.

Synagoge, rijtje 5

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Synagoge-6

Ook het brede pand dat vroeger op de plek stond van deze afzichtelijke nieuwbouw, was in gebruik van Machielse. Het zal zijn pakhuis wel geweest zijn. Al deze huizen waren eigendom van niet-joodse huisjesmelkers, op twee na die toebehoorden aan de joodse diakonie.

Synagoge, rijtje 6

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Synagoge-7

Het hoekpand stond met z’n voorgevel aan het Steenschuur en hoorde dus bij het sjieke gedeelte van de stad. Hier houdt de joodse aanwezigheid dan ook abrupt op.

Verreweg de meeste joden woonden de andere kant op, richting Hogewoerd. Het was natuurlijk niet voor niets dat deze wijk later zou worden afgebroken. Het was rond 1800 al een totale gribus.

Barbarasteeg

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Barbarasteeg

Dit laatst overgebleven stukje Barbarasteeg – naast de geldautomaat achter de Hoogvliet – geeft er nog een indruk van. De bewoners leefden van de bedeling of ze dreven handeltjes zoals de man hier links; hij verkoopt kammen en spelden. Tegenwoordig zou hij met de straatkrant staan. De meeste mensen in deze slopjes konden zelfs de grijpstuiver niet betalen die zij aan de huisbaas schuldig waren. Sommigen waren zo wanhopig dat zij ’s winters het hout uit de vensterbanken in de open haard verstookten. De huisjesmelkers verrichtten geen enkel onderhoud aan de krotjes, zodat er geregeld eentje vanzelf instortte… Ook als er geen kruitschip ontplofte.

Jorissteeg – hoek Hogewoerd

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Jorissteeg_1

Waar de joden rond 1800 precies woonden, is vaak niet meer aan te wijzen. Hier ter hoogte van het trottoir van de huidige St.Jorissteeg liep vroeger de Krauwelsteeg. Op het hoekje met de Hogewoerd woonden daar toen Aron Philippus van Praag en zijn vrouw Belietje Marcus. Bij de kruitramp verloren zij hun kleindochtertje van acht, het kind van hun overleden zoon Meijer.

Jorissteeg, montage

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Jorissteeg-2

Levy Abraham, de schroothandelaar die stennis maakte tot de koning aan toe, omdat hij geweerd werd uit het gilde, woonde ergens hier, in de St.Jorissteeg. Dit zijn de laatst overgebleven huisjes van het oude steegje. In 1807 zag het er aan de overkant precies zo uit. Die overkant was toen ook een stuk dichterbij, want hier is een compleet bouwblok tussenuit gebroken.

Hogewoerd

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Hogewoerd

Verderop aan de Hogewoerd vinden we één van de rijkere joodse kooplieden: ‘ketter en scheurmaker’ Salomon Aron van Praag, de man die in 1806 voorstelde om een feestje te geven van het geld uit de armenkas. Hij woonde in dit fraaie pand: we hebben al gezien dat Salomon nogal een levensgenieter was. Behalve dat hij veertien kinderen had, bezat hij vijf huizen. Buiten de stad, richting Zoeterwoude, had hij ook nog een zogenaamde ‘speeltuin’, een soort volkstuintje met een stenen theekoepelje erop. Ging hij ten onder aan wanbetalende huurders, of bouwde hij een feestje teveel? In 1818 ging hij in ieder geval failliet…

Ook aan de hele andere kant van de stad waren Joodse gezinnen te vinden, zoals op de Haarlemmerstraat en in de Donkersteeg. Dat zullen vooral winkeliers zijn geweest.

Levendaal, oude foto

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Levendaal

De meeste joden woonden dus niet in de directe omgeving van de Steenschuur. Hoe kon het dan toch gebeuren dat er bij de kruitramp zoveel slachtoffers onder hen vielen? Dat kwam doordat het Joodse schooltje middenin het rampgebied stond, aan de Langebrug vlakbij de hoek met de Steenschuur. Hier op deze oude foto van vóór de demping van het Levendaal, met rechts de synagoge, ziet u in de verte de Lodewijkskerk. De Langebrug, waar het schooltje stond, is daar nog een stuk links van. Het kruitschip had daar maar 70 meter vandaan gelegen. Bovendien was het schooltje niet als zodanig gebouwd. Het was een gewoon woonhuisje, het was piepklein en het verkeerde in slechte staat van onderhoud.

Schooltje

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Schooltje

Op het moment van de explosie waren in dat krotje minstens 30 kinderen aanwezig, waaronder 7 kinderen van de schoolmeester zelf, want hij woonde met zijn gezin in het schoolhuisje. Zijn naam was David Haagens. Hij was geboren in Den Haag op 17 juli 1750. Op het moment van de ramp was hij dus al 56 jaar oud. Zijn vrouw, Johanna Joseph Hamburger, was pas 40 en zodoende had de schoolmeester een hele sliert jonge kinderen: de kleinste lag zelfs nog in de wieg. De oudste dochter was al 16, maar Grietje Heijmansdochter was niet het kind van David maar van Johanna’s overleden eerste man.

Puinhopen

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Puinhopen

Dit is wat er na de explosie van het schooltje overbleef. Het stond op de plek waar de reddingswerkers aan het zoeken zijn.

Bij de ramp kwam Grietje jammerlijk om het leven, samen met haar zusje Judic van 8, haar oudste broertje Mozes van 10 en de kleine Naphtali van 7 maanden. Hun moeder werd eveneens verpletterd onder de puinhopen van het woonhuis annex schooltje. Haar lichaam werd door de reddingswerkers als eerste geborgen, waardoor haar man in zielsverscheurende ontreddering raakte. Volgens de voorschriften van zijn geloof moest Haagens zijn echtgenote binnen 24 uur begraven. Direct aansluitend moest hij zeven dagen van zware rouw in acht nemen. Onder normale omstandigheden zou hij zich daarvoor in de Synagoge hebben teruggetrokken, maar die was door de explosie verwoest. Bovendien bleek het onmogelijk om de vereiste groep van minstens 10 volwassen joodse mannen bij elkaar te krijgen om de rouwdiensten mee te kunnen houden. Er zat niets anders op dan dat Haagens naar zijn familie in Den Haag zou uitwijken om zijn rouwperiode in acht te nemen in de synagoge daar.

Haagens begrafenis, montage

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Begrafenis

Dat betekende dat hij moest vertrekken terwijl er nog drie van zijn kinderen onder het puin lagen! Ook zijn leerlingetjes waren nog niet allemaal geborgen. In zijn wanhoop wendde Haagens zich tot de Leidse hoofdofficier van justitie, mr. Dirk Rudolph Wijckerheld Bisdom. In een brief van drie kantjes, geschreven onderweg van de begraafplaats in Katwijk aan den Rijn terug naar Leiden, klaagt de schoolmeester zijn nood. Hoofdofficier Bisdom heeft de brief keurig afgehandeld en gearchiveerd. Vorig jaar kwam ik het stuk toevallig tegen tussen een stapeltje afrekeningen in één van de vele dozen van het speciale kruitramparchief in het Regionaal Archief aan de Boisotkade.

Brief Haagens in situ

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Brief-1

Was die eenvoudige joodse schoolmeester dan bevriend met één van de hoogste functionarissen in het stadsbestuur? Nou nee, hoor. Het is zelfs mogelijk dat de twee mannen elkaar nooit hebben ontmoet. Hier speelt iets heel anders. U herinnert zich dat ik daarnet vertelde over het oude stedelijke reglement op de Joodse Gemeente, dat bepaalde dat bij geschillen en andere problemen het stadsbestuur moest worden ingeschakeld, en in noodgevallen de Schout? Welnu, de functie van hoofdofficier was in de plaats gekomen van het oude schoutambt en daarom wendde Haagens zich in dit uiterste noodgeval tot Wijckerheld Bisdom.

Brief Haagens aanhef

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Brief-2

Dat blijkt ook uit de aanhef van de brief: “Weledel Gestrenge Heere, Waarde vader!”Haagens bedoelt: ‘burgervader’; hij beroept zich op zijn status als beschermeling van de Stad Leiden. Daarmee staat hij nogvolledig in de traditie van de Middeleeuwen.

Brief Haagens aanhef met tekst

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Brief-3

Hij vervolgt: “…op gepasseerde Dingsdag zijn […] van onder den Puijnhoop van mijn huijs, mijne Waarde huijsvrouw, mijne oudste zoon en 7 Mijner discipelen gevonden, die heeden begraven worden. Maar lieve vader er Zijn nog onder deezen puijnhoop 3 mijner kinderen, en 3 School Kinderen, namentlijk 1 Meisje van 16, Een van 9 Jaar en Een Zuigeling een zoontje van circa 7 maanden. Een dogtertje van S. van Lier, Een dogtertje van M. Trompetter en een kleijndogtertje van A. van Praag.”” Het meisje van 16 is zijn stiefdochter Grietje, de zuigeling is Naphtali. Het kind van 9 jaar moet zijn dochtertje Judic zijn, die feitelijk 8 jaar oud was. Geen van deze drie kinderen zouden levend worden gevonden.

De complete tekst van de brief is overigens te vinden in Het Fataal Evenement, in het hoofdstuk over de rampliteratuur. Maar daar was geen ruimte voor de achtergronden: daarvan hebt u vanmiddag de primeur.

Brief Haagens vervolg met tekst

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Brief-4

David Haagens schrijft verder: “alle aangewende Moeite om UwEd.Gestr. gisteren te Spreeken Waren vrugtloos. Men heeft dus niet alleen gisteren niets aan mijn huijs gedaan maar zelfs de opengemaakte ruijmte met hout gevult.” Ook klaagt hij dat hij geen toegangsbewijs heeft kunnen krijgen voor het rampgebied, zodat hij steeds door de schildwachten wordt tegengehouden als hij even door de afzetting heen is geweest. De Joodse gemeenschap blijft trouwens als geheel verstoken van hulp door reddingswerkers en puinruimers. Haagens smeekt de hoofdofficier daar iets aan te doen.

Verder vraagt hij om de beloning waar hij recht op heeft, omdat hij eigenhandig één van zijn leerlingetjes van onder het puin heeft gered. Meester Haagens is alles kwijt, dus hij heeft dat geld hard nodig! Ook dat heeft hoofdofficier Bisdom keurig voor hem verzorgd: uit de eindafrekening van het rampenfonds blijkt dat Haagens de premie van 52 en een halve gulden inderdaad heeft ontvangen. De hulp van de hoofdofficier ging zelfs nog verder: toen Koning Lodewijk een speciaal weeshuisje oprichtte voor kinderen die bij de ramp hun ouders waren kwijtgeraakt, werd de voormalige schoolmeester belast met het toezicht. Heel bijzonder: hier krijgt een jood de zorg over christelijke kindertjes. Maar Haagens was een gebroken man; hij kon het niet aan en moest al snel zijn functie neerleggen. Hoe diep het trauma was, zien we aan het slot van zijn brief:

Brief Haagens slot met tekst

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Brief-5

“Ik kan niet meer mijne traanen vloeijen Stromenwijs de Zeegen des Heeren zij UwEd.Gestrenge beloning. Zeegene onzen geliefden Koning en Uw Ed. Groet aan U Burgemeesteren en Raaden dezer Steede, dat zijn de wenschen en den Hoop van […] Uw Dienaar en gehoorzame, bedroefde David Haagens, Schoolmeester van de Langebrug”.

Brief Haagens slot met traan

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Brief-6

Op het laatste blad zit een grote watervlek: David Haagens overdreef niet toen hij schreef: ”ijne traanen vloeijenStromenwijs’…

School 1850

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_School

Volgens de literatuur was het hele gezin van de schoolmeester bij de ramp om het leven gekomen. Maar genealogisch onderzoek heeft aangetoond dat hij nog drie kinderen had, die wél levend van onder de puinhopen gered werden. Dat waren Ephraïm van ongeveer 6 jaar oud, Alida van bijna 5 en Joseph van 2½.

Het gezin Haagens is niet in Leiden blijven wonen. Joseph trad in zijn vaders voetsporen en vestigde zich als schoolmeester in Rotterdam. De laatste jaren van zijn leven heeft David Haagens bij zijn zoon ingewoond, aan de Schiedamsedijk. Hij overleed op 82-jarige leeftijd, op 22 juni 1832.

Graf Katwijk

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Graf

De vier kinderen die Haagens bij de ramp met het kruitschip verloor, liggen samen met hun moeder begraven op de joodse begraafplaats in Katwijk aan den Rijn. Daar ligt nog één andere volwassen vrouw en verder zijn het allemaal kinderen in de leeftijd tussen 7 en 12 jaar, zestien in totaal. Het oudste meisje dat bij de ramp om het leven kwam, het 17-jarige stoffenverkoopstertje Kaatje Andries Andreson, ligt hier niet. Zij kwam om het leven in het huis van de familie Bennet aan het Steenschuur, pal tegenover het kruitschip. Haar stoffelijk overschot werd geïdentificeerd als de dienstbode van mevrouw Bennet, waardoor het joodse meisje per ongeluk een christelijke begrafenis heeft gekregen.

Gedenksteen Katwijk

Lezing_Arti_Ponsen_kruitramp_joden_Gedenksteen

Kaatje wordt hier wel herdacht, samen met de 18 andere joodse slachtoffers. Die kleine, arme en zwaar getroffen joodse gemeente van 1807 heeft het dus gepresteerd om een eigen gedenkteken op te richten. Dat geeft wel aan hoe diep de kruitramp in de joodse gemeenschap heeft ingegrepen. En het is trouwens maar goed dat ze het zelf hebben gedaan. Want de grote obelisk aan de Steenschuur, die alle slachtoffers had moeten herdenken, is er nooit gekomen. Leiden heeft alleen maar een steen in de kademuur op de plek waar het kruitschip heeft gelegen, een kopje van koning Lodewijk aan de gevel van het stadhuis en her en der een paar inscripties die aan de kruitramp herinneren. Het enige echte monument staat in Katwijk.