Leidse textielnijverheid – geschiedenis in vogelvlucht

Winterlezing van 11 maart 2007 – door Martin van der Klugt

In deze geschiedenis vallen twee zaken op en wel de lange geschiedenis van Leiden als textielstad en de golfbewegingen van opkomst, bloei en neergang, die daarin te bespeuren zijn. Startend in de periode vanaf plm. 1275 tot zo ongeveer 1575. De Leidse lakennijverheid is wel een jonger zusje van de Vlaamse en een oudere van de Engelse genoemd. Geografisch heeft de lakenweverij zich ontwikkeld uit Artois en Frans-Vlaanderen over Ieperen, Gent en Brugge naar Brabant, waar zij haar hoogste bloei bereikte in de 14e eeuw in Leuven, Brussel en Mechelen. In de laatste periode van de dertiende eeuw bereikte deze bloei de noordelijke Nederlanden: eerst in Maastricht en Roermond, dan Dordrecht, Middelburg, Zierikzee, Goes, Den Bosch, Bergen op Zoom, Helmond en vervolgens tal van steden in Holland waaronder Leiden.

Aan het eind van de 14e eeuw trof men vrijwel overal in ons land een vorm van lakennijverheid aan, maar met name Leiden zou zich ontwikkelen tot één van de belangrijkste textielcentra, die uiteindelijk voor een wereldmarkt produceerde. Uit de vroegste bronnen is bekend, dat in de 13e eeuw in Leiden, vermoedelijk nog op bescheiden schaal, van wol textiel werd gemaakt. Het gaat daarbij niet alleen om archeologische vondsten, zoals bijvoorbeeld benen wolkammen en loden lakenzegels, maar ook om geschreven bronnenmateriaal.

Zo wordt bijv. in 1300 ene Machteld, weduwe van Arnold Snider, in de bronnen vermeld. En in 1303-1304 is er sprake van een Leids schepen, die de naam Adam die Snider draagt. Daarbij moet gedacht worden aan zogenaamde wantsnijders, die in Leiden de detailhandel in lakense stoffen verzorgden. Een andere aanwijzing voor de vroege Leidse wolnijverheid vormt een latere vermelding in bronnen uit 1391-1392 van het “oude wanthuis”, waar de lakense stoffen werden verkocht.

Na het midden van de 14e eeuw bloeide de Leidse laken nijverheid op. Deze ontwikkeling hield verband met de overschakeling van inheemse op Engelse wol als grondstof. Vanaf ongeveer l396 maakte men in Leiden alleen nog gebruik van Engelse wol en daarmee werd het Leidse lot verbonden met de politiek van de Engelse koningen en van hun oorlogen met Vlaanderen en Holland. Zolang Engeland zelf geen noemenswaardige, op de export gerichte, lakennijverheid had, werd de opbrengst van de omvangrijke Engelse schapenteelt, afkomstig van de talrijke abdijen en heerlijke bezittingen, naar het vasteland van Europa uitgevoerd. Aanvankelijk werd de Engelse wol in Brugge verhandeld, maar na 1346 verschoof deze zogenaamde stapelhandel zich naar Calais, dat toen door Edward III werd veroverd. De Leidenaren kochten daar vooral schapenvachten, die in een eerste etappe over zee naar Zeeland werden getransporteerd, waar de grondstof op kleinere schepen, beurtschepen, werd overgeladen en de reis naar Leiden werd aangevangen.In de 14e en 15e eeuw betrok Leiden de ruwe wol voornamelijk uit Engeland.

Omstreeks 1480 bevond de Leidse textielnijverheid zich op een hoogtepunt en werden meer dan 300.000 schapenvachten geïmporteerd. De Leidse produktie bedroeg toen zo’n 25.000 stuks laken, waarbij elk stuk 40 el oftewel 27,5 mtr lang was en 65 pond woog. Wegens de groeiende stroom immigranten, die met name in de Leidse textiel werk zochten, waren de stadsgrenzen toen al verschillende keren, rond 1300, 1350 en 1385, uitgelegd en daarmee was de stedelijke oppervlakte flink uitgebreid. De bevolking groeide van zo’n 5.000 inwoners omstreeks 1400 naar zo’n 12.000 in 1500. De stad had daarmee haar gedaante van een bescheiden nederzetting in Rijnland al ver achter zich gelaten.

Hoewel de Leidse lakense stoffen hun weg over de hele wereld vonden, van Turkije tot Japan, was de overzeese export vooral gericht op de landen van het Oostzeegebied: Rusland, Polen, Litouwen, Hongarije enz.enz. Veel Duitse en Scandinavische landen waren aangesloten bij de Hanze, een stedenbond, waarmee nauwe handelsbetrekkingen werden onderhouden. De kooplieden trokken met hun lakense stoffen naar de Hanzegebieden om ze daar te ruilen tegen graan, pelzen, honing, hout en vis.

Na 1480 traden er echter ingrijpende veranderingen op voor de Leidse lakenwerkers. De Engelsen gingen in toenemende mate hun eigen wol verwerken en voor Leiden betekende dit een steeds nijper wordend grondstofprobleem, waardoor uiteindelijk de prijzen van het laken stegen en de vraag ernaar verminderde. Tegelijker tijd nam de Engelse concurrentie toe en trachtte menig lakenfabrikant de produktiekosten te drukken, wat ten koste ging van de kwaliteit en waardoor de vraag naar lakense stoffen uiteindelijk verder afnam. Bovendien viel aan het einde van de 15e eeuw de Hanze uiteen, waardoor een belangrijk afzetgebied voor het Leidse produkt verloren ging. Daarnaast traden er ook veranderingen op in de mode. De dikke lakense stoffen werden langzaam maar zeker naar de achtergrond gedrongen. Voortaan ging de voorkeur van het publiek uit naar de dunnere en goedkopere saaien (kamgaren) stoffen, afkomstig uit Vlaanderen en gemaakt van overwegend Spaanse wol. De vraag naar de zware Leidse stoffen nam daardoor geleidelijk verder af.

Ook ging de textiel gebukt onder de financiële lasten en heffingen, die door de stedelijke overheid na 1470 voortdurend werden verzwaard. De vele stedelijke reglementen beperkten bovendien de lakenfabrikanten in hun bewegingsvrijheid om zich aan de zich wijzigende omstandigheden aan te passen. Produktiecijfers tonen de achteruitgang. De produktie kelderde van zo’n 28.000 stuks lakense stof in 1502 tot slechts 3.800 omstreeks 1570, direct voorafgaande aan het beleg van de stad in 1573-74.

Na het ontzet in 1574 herstelde de textielnijverheid zich, eerst geleidelijk, maar later versneld. Leiden werd als symbool van vrijheid een trekpleister voor iedereen, die om geloofsredenen of wegens oorlogsgeweld dat West-Europa teisterde, op de vlucht was geraakt. Het aantal immigranten in Leiden, afkomstig uit de zuidelijke Nederlanden, werd in l581 geschat op een kwart van de totale Leidse bevolking. In 1582 werd de Zuid-Vlaamse stad Hondschoote, centrum van de saainijverheid en ook van de reformatie, door de Spanjaarden verwoest.

Gevluchte drapeniers en wevers vestigden zich toen in Leiden. De nijverheid werd verder na de val van Antwerpen in 1585 gestimuleerd door nog meer Vlaamse immigranten. Dit waren merendeels saaiwerkers, die nieuwe produktietechnieken met zich meebrachten en een scherpere ondernemingsgeest introduceerden, waardoor al spoedig de tradionele dikke lakense stof definitief door de dunnere saaien naar de achtergrond werd gedrongen. Met deze immigratie van vluchtelingen werd voor de Leidse textielnijverheid een nieuwe bloeitijd ingeluid. Het aantal inwoners nam toe van ongeveer 12.000 in 1582 tot 45.000 in 1622.

In de jaren van de dertigjarige oorlog (l618-1648) vestigden zich naast de aanhoudende stroom Vlamingen ook veel Duitse immigranten in de stad, die vrijwel allen door de Leidse textiel werden aangetrokken. Omstreeks 1630 ving voor de Leidse textielnijverheid een periode van ongekende bloei aan. De keerzijde van de medaille was, dat naast vrouwenarbeid ook op vermoedelijk grotere schaal dan daarvoor kinderarbeid werd ingeschakeld om de loonkosten bij de produktie te drukken. Dit vormde zelfs één van de grondslagen van het concurrentievermogen en dus van het succes van de Leidse textielnijverheid in de 17e eeuw. Men sprak van nieuwe draperie en de stedelijke overheid haaste zich om nieuwe, daaraan aangepaste keuren uit te vaardigen.

Vooral dankzij de saainijverheid ontwikkelde zich in de 17e eeuw een tweede bloeiperiode van de Leidse textiel. Naast Engelse wol, die nog slechts op beperkte schaal werd gebruikt, werden in de nieuwe draperie vooral lichtere en goedkopere wolsoorten gebruikt, die afkomstig waren uit Spanje, Biscaye, Pommeren en Schotland. Zij werden ingekocht in Amsterdam, dat toen de belangrijkste wolmarkt van Europa was. Ook de inlandse wol uit Noord-Holland en Friesland werd toen weer ten volle benut. De handel was vooral gericht op Frankrijk, Spanje en Italië, maar breidde zich al spoedig uit naar Duitsland, Polen, Zwitserland en Oost- en West Indië. De textielnijverheid floreerde en de vraag naar de Leidse wollen stoffen steeg zó snel, dat de kleine drapeniers niet langer in staat bleken aan de vraag te voldoen.

De schaal waarop de handel werd uitgeoefend ontwikkelde zich namelijk zodanig, dat daarvoor al spoedig flinke kapitalen werden vereist. Kapitaalkrachtige kooplieden – ondernemers, niet zelden van Vlaamse origine, zoals Pieter de la Court. Adrian le Pla en Nicolas de Hont namen omstreeks 1630 steeds meer de taken van de drapeniers over, zoals de drapeniers in de 14e en de 15e eeuw de functies van de wantsnijders hadden overgenomen. Deze genoemde kooplieden werden reders genoemd. In het begin kochten zij de stoffen bij de drapeniers om deze vervolgens verder te verhandelen, doorgaans in het buitenland. Steeds meer werden de voorheen zelstandige drapeniers als tussen persoon afhankelijk van de machtige reders. De reders hielden zich naast de handel ook steeds intensiever bezig met de fabricage van laken en grein.

In het tweede kwart van de 17e eeuw hadden zij hun eigen ateliers (kleine werkplaatsen), weverijen, vollerijen met volmolens en ververijen en werden daarmee machtiger. Uiteindelijk controleerden de reders het volledige produktieproces inclusief de inkoop van de grondstoffen en de verkoop van de wollen stoffen en ontstond een verticale bedrijfsconcentratie. De stedelijke overheid protesteerde hier niet tegen, want menig reder of aanzienlijk drapenier maakte deel uit van de stadsregering en bovendien voer de stad er door de toenemende produktie voorlopig wel bij.

Het aantal inwoners nam in de eerste helft van de 17e eeuw flink toe en de stadsinkomsten groeiden voortdurend. Voor het eerst sinds de 14e eeuw moesten de stadsgrenzen door de immigratie en de toenemende welvaart in het begin van de 17e eeuw wederom worden uitgelegd. Leiden werd daarmee in de eerste helft van die eeuw een van de grootste steden in de republiek en was tevens het belangrijkste textielcentrum van West-Europa.

De eerste stadsuitbreiding vond plaats in 1610, de tweede in 1644 en de derde in 1659. Het toppunt van de 17e-eeuwse bloei kan worden gedateerd omstreeks 1670 toen de stad 60 tot 70 duizend inwoners telde. Ongeveer 35.000 arbeiders, waaronder 4.000 wevers, verdienden toen hun dagelijks brood in de textiel. De produktie van saaien stoffen was op dat moment echter al op haar retour. Het hoogtepunt werd bereikt in 1664, toen maar liefst l44.000 stukken werden gefabriceerd.

Een proces van verval, dat de Leidse textielnijverheid al eerder, in de late middeleeuwen te zien had gegeven, herhaalde zich na ongeveer 1675, eerst langzaam, maar later in de 18e eeuw versneld. De stedelijke overheid heeft getracht met nog strengere voorschriften en protectionistische maatregelen de kwijnende nijverheid te redden, maar het effect daarvan was eerder averechts. De reders voelden zich door de stedelijke keuren in hun ondernemersvrijheid beperkt en tegen de concurrentie uit bijv. Aken, Verviers, Eupen en Luik hielpen de protectionistische maatregelen echter niet voldoende.

Al in 1659 protesteerde Pieter de la Court in zijn geschrift ’t WELVAREN van de STADT LEYDEN tegen de steeds verdergaande overheidsinmenging, zij het tevergeefs. Hij waarschuwde daarin, dat de nijverheid aan de economische dwang van de overheid ten onder zou gaan. Het keurslijf waarin de overheid de nijverheid had geperst, strekte volgens De la Court alleen tot voordeel van de regeerders en hun vriendjes. Het geschrift wijst op een zwakke plek van de regentenmaatschappij, waarvoor in deze periode het fundament werd gelegd.

De produktie van wollen stoffen had zich in de 17e eeuw verder gediversificeerd. Er werden verschillende soorten wollen stoffen gemaakt en binnen de Leidse textielnijverheid bestond een grote variëteit van werkzaamheden. Elk eindproduct was door de handen van veel gespecialiseerde ambachtslieden gegaan. De textielfabricage was een gecompliceerd proces, waarin al vroeg sprake was van een verregaande mate van arbeidsdeling. De verschillende takken van die nijverheid werden neringen genoemd. Dit waren een soort vakgroepen, die echter fundamenteel verschilden van gilden wegens het automatische lidmaatschap en de zeer beperkte democratische struktuur ervan.

Alle reders, drapeniers en arbeiders uit een bedrijfstak waren automatisch lid van hun nering. Echter, de reders deelden in die neringen doorgaans de lakens uit. Naast de neringen waren er ook ambachtsgilden, zoals het droogscheerdersgilde, het vollersgilde en het wolkammersgilde. Gilden van wevers, spinners of ververs ontbraken. Tot de voornaamste taken van deze gilden behoorde het verlenen van bijstand aan de leden. Ook waren er enkele aan bepaalde beroepsgroepen verbonden – beurzen -, die als een soort ziekenfondsen fungeerden. De leden stortten daartoe wekelijks een bepaald bedrag in ruil voor het recht op een uitkering.

De indelingen in neringen was gebaseerd op de gebruikte grondstof en genoemd naar de soort stof dat ervan werd gemaakt. Zo waren er de lakennering, saainering, greinnering, warpnering, rasnering en een fusteinnering. Iedere nering had een eigen gebouw, waar de stedelijke keurmeesters de kwaliteit van de stoffen in het oog hielden en waar alle stoffen passeerden alvorens zij werden verhandeld. Zo waren er in Leiden: de saaihal 1583, fusteinhal 1587, rashal 1596, baaihal 1606, lakenhal 1614, warphal 1652 en een greinhal 1653.

1675-1800

De Leidse Textielnijverheid in de periode van langdurig verval.

In het algemeen trad na 1675 met uitzondering van enkele kortere perioden een langdurig proces van aftakeling in, dat meer dan een eeuw duurde en niet alleen Leiden, maar de hele republiek in de greep hield. Alle zeven Leidse neringen verloren na 1675 terrein, de één vroeger en meer dan de ander. Tot ongeveer 1725 had de lakennijverheid nog een aanzienlijke omvang, maar daarna ging het snel bergafwaarts. De nijverheid van Verviers veroverde toen de Duitse afzetmarkten.

In 1700 waren er nog ruim 400 Leidse meester-lakenbereiders, maar in 1750 waren dat er nog maar 110. De Leidse greinnering ging achteruit als gevolg van de groei ervan in Languedoc. De achteruitgang van de saainering was echter al van oudere datum, en zo was ook de teloorgang van de fusteinnering al voor 1675 ingezet door de opkomst van bijvoorbeeld de Bombazijnnijverheid in Amersfoort omstreeks 1650. De baai- en warpnering, waartoe ook de dekenweverij behoorde, waren de enigen waarvan de produktie in de 18e eeuw nog toenam. Als belangrijkste oorzaak voor de achteruitgang moet met name gewezen worden op het verlies van buitenlandse afzetgebieden, de binnenlandse markt was van een beperkte omvang.

In de eerste plaats verloor Leiden afzetgebieden in de Levant. De Engelse en Franse oorlogsvloten beheersten in de laatste decennia van de 17e eeuw de Middellandse Zee, waardoor de Nederlandse Levanthandel en daarmee ook de export van het Leidse laken verloren ging. Nog ernstiger was echter het verlies van Frankrijk als afzetgebied door de handelspolitiek die in de tweede helft van de 17e eeuw opgang maakte. Hoge invoerrechten belemmerden toen de Franse import van Leidse stoffen. Door navolging van het Franse protectionisme verloor de republiek echter al spoedig ook afzetgebieden in Oostenrijk, Zweden, Napels en Venetië. Tegelijkertijd ontstond in deze gebieden een eigen textielnijverheid of de reeds bestaande bloeiden op.

De inkrimping van het afzetgebied ging zo gepaard met een groeiende internationale concurrentie, waardoor een tendens van prijsdaling optrad. De ondernemers trachtten daarop de produktiekosten te verminderen en probeerden de belangrijkste kostenfactor, de lonen, te drukken. Omstreeks 1650 bedroeg het weekloon van een wever nog zo’n 7 gulden, terwijl het in 1700 na steeds weer verlagingen nog maar 4 tot 4,5 gulden was. Uiteindelijk mocht één en ander niet baten en de fabricage van de stoffen verplaatste zich vanuit de stad steeds meer naar het omliggende platteland, waar de loonstandaard lager was.

Het stedelijke ambacht in Leiden kon de concurrentie niet volhouden met het plattelandsfabricageproces in zowel binnen- als buitenland, waar spinnen en weven niet voor het hoofdinkomen zorgden. De Engelse textielindustrie, een geduchte concurrent voor de Leidse textielindustrie, was daar voornamelijk op het platteland gevestigd. De toename van de lakenweverij in Brabant, om en nabij Tilburg en Eindhoven, vormde voor de Leidse ondernemers in het begin de belangrijkste binnenlandse concurrentie, maar op den duur gingen zij, op zoek naar gebieden met een lagere loonschaal, ertoe over niet alleen in Brabant, maar ook in Engeland laken te laten weven. Op die manier kon worden geprofiteerd van het relatief lagere loonpeil, terwijl de meer ambachtelijke werkzaamheden, zoals het verven, de bereiding en het droogscheren van de stof in Leiden bleven plaatsvinden.

Natuurlijk nam in de loop van de 18e eeuw daardoor de werkgelegenheid in Leiden af. Aan het einde van de 18e eeuw bedroeg de totale wolproduktie in Leiden niet meer dan zo’n 27-28.000 stukken. Het aantal lakenfabrieken was in 1735 nog 80, maar in 1756 waren er nog maar 25. Van de meer dan 1000 lakengetouwen in 1753 nog in gebruik, resteerden er aan het eind van die eeuw nog maar 150. Voor de saainijverheid gold hetzelfde verhaal: l400 getouwen in 1753, in 1800 nog slechts 40 over. De achteruitgang wordt nog duidelijker wanneer men bedenkt, dat een getouw zo’n 30 à 40 arbeiders of arbeidsters aan het werk hield.

Waren de leefomstandigheden van Leidse textiel arbeiders in de tweede helft van de 17e eeuw al slecht, in de 18e eeuw werden zij ronduit ellendig genoemd. De lonen daalden en de gedwongen winkelnering met uitbetaling in natura in plaats van loon, tierde welig, het zogenaamde truckstelsel. De werkloosheid nam steeds meer toe en kreeg een blijvend karakter. In de helft van de 18e eeuw werden duizenden gezinnen bedeeld met enkele stuivers per week. In die jaren telde Leiden ruim 37.000 inwoners, waarvan er zo’n 12.000 een beroep uitoefenden, waarvan plm. 8500 werkzame gezinshoofden toen in de nijverheid werkten, waarvan 5750 in de textielfabricage.

Net als tijdens de achteruitgang in de eerste helft van de zestiende eeuw, kwam er in de loop vam de 18e eeuw uit Leiden, een ware uittocht van vakbekwame textielondernemers en vaklieden op gang. In 1757 vertrokken 60 Leidse wolbewerkers met hun families naar Spanje om daar hun geluk te beproeven. Terwijl Leiden in 1670 plm.70.000 inwoners telde, waren dat er in de helft van de 18e eeuw nog slechts 37.000 en aan het eind van die eeuw nog maar zo’n 30.000. In verband met deze ontwikkelingen konden de grote redersbedrijven hun vroegere omvang niet handhaven. Met uitzondering van de greinnijverheid, verdwenen de reders van het toneel. De naam ‘Reder’ verdween van het toneel en in plaats daarvan werd er gesproken over fabriqueurs. Deze vormden een ander type ondernemer, dat zich minder met de handel en meer met de produktie ging bezighouden.

1800-1975

De Leidse textielindustrie.

In 1802 waren er in de stad nog 6 lakenfabrieken, 17 greinfabrieken, 30 wollen deken- en duffelfabrieken, 3 vlaggendoekfabrieken, 3 baai- en saaifabrieken en 155 kleine textiel fabrieken, de boezel- en rokjesindustrie. Het leek er echter op, dat de stad uit het diepe dal omhoog aan het klimmen was. Zo werd in 1816 de eerste stoomkrachtinstallatie geplaatst door Jan van Heukelom in hun laken- en greinfabriek F.van Lelyveldt en daarnaast werd ook de KvK ingesteld.

Koning Willem I heeft zich ingezet om de welvaart van het land op verschillende manieren te bevorderen, speciaal de nijverheid en de industrie hadden zijn aandacht. Zo riep hij ook een ‘Fonds tot Aanmoediging van de Nationale Nijverheid 1821-1846’ in het leven. Veel Leidse fabrikanten ontvingen hieruit voorschotten voor het oprichten van of de uitbreiding of instandhouding van industriële ondernemingen. Ook de in 1842 opgerichte Nederlandse Handels Mij. was van groot belang in het bevorderen van de nationale handel en daardoor de bestaande en voor Nederland voordelige handelsbetrekkingen uit te breiden en dus nieuwe exportgebieden te openen en daarmee de nijverheid, ook in Leiden, nieuw leven in te blazen.

Door het stadsbestuur werden oude hallen, overblijfselen van vergane glorie met ingang van 1 januari 1823 opgeheven en de besturen ontbonden. In datzelfde jaar werden, met als zetel de voormalige Lakenhal, vier nieuwe functionarissen aangesteld met de titel Directeuren der nieuwe Halle van Manufacturen (tot 1866). Hun taak bestond voornamelijk uit het toekennen van het nationaal etiket van de in de Lakenhal aangevoerde stoffen. De Leidse textielindustrie, vooral de laken- en dekenindustrie, heeft van dit Koninklijk besluit duidelijk geprofiteerd, want de vraag afkomstig van de overheid naar het Leids fabrikaat nam toe en de productie steeg daardoor.

Na de Belgische afscheiding in 1830 werden verschillende bedrijfstakken geconfronteerd met het wegvallen van binnenlandse grondstof- en afzetgebieden. De Belgische katoennijverheid verloor een aanzienlijk afzetgebied in Nederland maar ook, door verhoging van de invoerrechten, een grote afzet in Nieuw Oost-Indië. Als gevolg daarvan onstonden in Holland, o.a. in Haarlem en Leiden, nieuwe katoenbedrijven, die merendeels gesticht waren door buitenlandse fabrikanten, bijv. uit Lier in België verhuisde de firma de Hyder & Co in 1835 naar Leiden om hier haar aanzienlijke katoendrukkerij te vestigen.

De eerste jaren waren bepaald niet gemakkelijk en de firma ging reeds in 1846 over in handen van de heren Van Wensen en Driessen. Sinds die tijd erna floreerde de firma door onder meer de export naar Nederlands Indië en Afrika en dit via de Nederlandse Handelsmij. In 1886 kreeg het bedrijf de naam de N.V. Leidsche Katoenmaatschappij. Het was met 900 werknemers in 1890 verreweg de grootste fabriek in de stad. In de loop van de tweede helft van de 19e eeuw kreeg de Katoenmij. te maken met concurrentie uit het opkomende Twentse katoengebied. Het bedrijf heeft zich echter staande kunnen houden tot in 1932 de Britse pond sterling devalueerde en men uiteindelijk tot liquidatie van het bedrijf moest overgaan. Een brand heeft daarna een groot deel van de fabrieksgebouwen in de as gelegd.

In de eerste helft van de 19e eeuw ging het in het algemeen, vooral met de greinfabricage goed, terwijl de dekenfabrikanten zich tevreden stelden met de binnenlandse afzet, waardoor expansie uitbleef. In de jaren 1840 ging echter het Chinese afzetgebied verloren voor de Leidse greinfabrikanten met het gevolg dat zij langzaam maar zeker in aantal en betekenis afnamen. in 1851 telde Leiden nog maar 64 textielfabrieken. De stoominstallaties werden echter in steeds meer fabrieken geïntroduceerd en bestaande installaties werden uitgebreid. Stoom als nieuwe bron van energie was zonder twijfel de voorbode voor een hernieuwde bloeiperiode van de stad. Na de toch wel wat aarzelende startfase volgde na 1830 een versnelling in de invoering van stoom als energiebron in de textielindustrie.

Omstreeks 1850 was het tij definitief gekeerd. Al was het nog geen alleluja, het stoomkrachtvermogen verdrievoudigde zich in de jaren tussen 1850 en 1870. Een belangrijk verschil met voorgaande bloeiperioden was, dat naast de textiel na 1850 ook andere vormen van bedrijvigheid zich manifesteerden en uitgroeiden tot volwaardigen bedrijfstakken. O.a. de metaalindustrie, de conservenindustrie en de grafische industrie. De stad werd daardoor minder afhankelijk van slechts één bedrijfstak, nl. de textiel. Er was dus een meer uitgebalanceerde ontwikkeling tot stand gekomen, die tot na de Tweede Wereldoorlog duurde.

De Leidse textielindustrie bereikte echter niet meer de vooraanstaande positie die het in vroegere bloeiperioden had ingenomen. De Tilburgse textielindustrie, de belangrijkste binnenlandse concurrent van Leiden, groeide op voortvarende wijze en overvleugelde al spoedig de Leidse industrie. Al omstreeks 1830 was de Tilburgse productie driemaal groter dan de Leidse en in 1855 zelfs 10 maal groter! In Tilburg werden de wat grovere massastoffen geproduceerd, zoals laken, duffel en baai, terwijl in Leiden het aanbod gevarieerder was, vooral de wat fijnere stoffen, zoals grein, polemiet, saai maar ook dekens, vlaggedoek en damast.

In 1889 waren er in onze stad nog maar 24 textielfabrieken. De lakenindustrie ging achteruit en de greinindustrie was na 1880 bijna verdwenen. Krantz was in 1891 nog de enige lakenfabrikant, die zich ook meer ging toeleggen op moderne wollen stoffen. Le Poole schakelde van grein over op damast en Clos en Leembrugge produceerde alleen nog saayetten oftewel wollen garens.

Duidelijk was ook dat vooral de wollendekenfabrikanten (Zaalberg, van Wijk en Scheltema) goed stand hielden, alhoewel niet op expansie werd gekoerst. Terwijl het aantal bedrijven afnam, groeide de produktiecapaciteit in de overblijvende fabrieken echter behoorlijk en vond er een ontwikkeling plaats tot schaalvergroting in de textielindustrie en kreeg de overgang naar een moderne industrie haar beslag. Typerend was dat door de nieuwe opbloei de stadsgrenzen wederom werden uitgelegd en wel in 1896. Leiden had toen ongeveer 45.000 inwoners.

Gelijk aan de ontwikkeling van het industrialisatieproces vormden zich de aanzetten voor een georganiseerde arbeidersbeweging. Steeds meer mensen werkten in loondienst en Leiden had al vroeg een omvangrijke arbeidersbevolking, waarvan het grootste deel in armoede leefde. Het schrijnende verhaal over de toestand van de arbeiders in de wolverwerkende industrie, staat omschreven in het artikel van de arts dr. Coronel in het ‘Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde’ van 1864.

Hoewel kinderarbeid in de 19e eeuw beslist niets nieuws was, vormt dit één van de bekendste schaduwzijden der vroege industriële ontwikkeling. Het zal dan ook geen verbazing wekken dat de wet van S. van Houten, die in 1874 een beperking van de kinderarbeid zou regelen, mede tot stand is gekomen door een belangrijke inbreng uit Leiden. Het mag gezegd, dat enkele belangrijke en vooraanstaande Leidse textielfabrikanten, waaronder S.J.Le Poole e J.C.Zaalberg daarbij betrokken waren. De politiek in Den Haag werden zich bewust van de ‘sociale questie’. Een voorbeeld van de kinderarbeid, genomen uit de karthoteek van de Leidse Katoenmaatschappij: Catharina van der Huizen was 12 jaar toen zij in 1889 in de textielfabriek van v. Wijk ging werken en Isac Baart was 8 jaar toen hij in 1857 bij de Katoenfabriek ging werken.

Tot na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde de Leidse textielnijverheid zich over het algemeen voorspoedig. De meeste bedrijven doorstonden de Eerste en Tweede Wereldoorlog goed, want de aanzienlijke legerorders zorgden voor een grote vraag naar het Leidse fabrikaat. In 1932, zoals eerder genoemd, sloot de Leidse Katoenfabriek haar poorten en de crisisjaren gingen zoals overal in den lande gepaard met grote werkloosheid. Direct na 1945 trad er een korte bloei op, die veroorzaakt werd door de inhaalslag, die echter niet van lange duur was. In het begin van de jaren vijftig leek de Leidse textielindustrie zich behoorlijk hersteld te hebben, maar al spoedig kwam de achteruitgang. Het afbrokkelingsproces van de Leidse textiel was duidelijk herkenbaar.

Eén voor één werden de fabrieken gesloten (de meeste gebouwen staan nog overeind en worden beschouwd als industrieel erfgoed). De concurrentie van textielnijverheid in lage lonen landen (toen bijv. Italië), maar daarnaast veranderde ook het modebeeld. Wol werd steeds meer verdrongen door katoen en de kleinschalige structuur van de in Leiden overheersende, traditionele familiebedrijven speelden een belangrijke rol. De jaren vijftig waren een periode van diepte-investeringen in kostbare machines, maar die voor de meeste familiebedrijven meestal onuitvoerbaar bleken. Eigen vermogen moest immers altijd basis zijn voor de investeringen en… financiering van buiten af was als vloeken in de kerk. Fusiepogingen liepen veelal op niets uit. Naijver, traditioneel tussen de verschillende familiebedrijven, lagen hieraan dikwijls ten grondslag. Als er al eens een fusie slaagde, was dat meestal met een bedrijf van buiten Leiden en verdwenen de ondernemingen meestal uit Leiden.

Ook de textielmoeheid van de arbeidersbevolking was van belang voor het verdwijnen van de Leidse textiel. Bovendien had de rijksoverheid invloed op het ontmantelingsproces van de Nederlandse textiel in het algemeen en dat van Leiden in het bijzonder. Uit Leiden verdwenen daardoor verschillende textielbedrijven om zich met overheidssteun bijvoorbeeld in Limburg te vestigen. Ook de Leidse overheid heeft haar aandeel in de achteruitgang gehad. In de naoorlogse periode kwam een proces van woningsanering op gang. De bevolking in de binnenstad groeide aanzienlijk, waardoor stadsuitleg weer noodzakelijk werd. Voor rokende fabrieksschoorstenen was toen in de binnenstad geen plaats meer.

Het gebied tussen de singels werd steeds meer bestemd voor woon- en winkelgebied, voor fabrieken de mogelijkheid ontnemend eventuele uitbreiding tot stand te brengen. Enkele fabrieken o.a. van Wijk verhuisden al spoedig naar de rand van de stad naar de nieuwe bedrijventerreinen, maar de textiel was geen lang leven meer beschoren. De fabrieken gingen een voor een failliet of verhuisden naar elders. Fabrieksgebouwen, waar generaties fabrikanten en werknemers emplooi hadden gevonden, verdwenen uit het stadsbeeld, door sloperhamers geveld. Het doek voor de Leidse textiel is daarmee gevallen. De Leidse textiel bestaat nu nog slechts in de geschiedenisboeken en de herinneringen van de wat oudere Leienaars.